ZEW-Studie, buitenlandse organisaties ondergaan dubbele economische last

Buitenlandse ondergaan niet alleen een hoge effectieve belastingdruk, in vergelijking met andere internationale bedrijven, maar hebben ook concurrentienadelen wanneer het gaat om hoog opgeleid personeel. In Duitsland moet een werkgever ongeveer 200.000 euro per jaar betalen om een hoog opgeleid personeelslid 100.000 euro per jaar te laten verdienen, nadat de belasting en andere heffingen hierop in mindering zijn gebracht. In de V.S. hoeft een werkgever slechts 153.000 te betalen om de werknemer hetzelfde uit te keren. Een werkgever in het Zwitserse Kanton Zug en Schwyz hebben lasten zo laag als 130.000 euro. Dit is, naast de hoge collectieve belastingdruk, een extra voordeel van vestiging voor buitenlandse bedrijven die internationaal concurrentie voeren met hoog opgeleide werknemers. Dit resultaat is verkregen vanuit een studie, uitgevoerd door het Centre for European Economic Research (ZEW) in Mannheim, in opdracht van de IBC BAK International Benchmark Club, dat deel uitmaakt van Bak Basel Economics.

De studie overweegt naast de belastingdruk in Duitsland en elf Zwitserse Kantons ook de V.S. (plaats Massachusetts), Groot Brittanië, Ierland, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk. De gebruikte belastingdrukindicatoren omvatten alle relevante belastingstypes die op werknemers met hun inkomens evenals vermogensondernemingen met hun winsten van toepassing zijn. Verantwoordelijk voor de efficiënte lasten in het geval van hoog gekwalificeerd personeel zijn fundamenteel de inkomstenbelastingstarieven en de statutaire pensioenvoorzieningen. In het geval van collectieve belastingdruk hebben de tarieven van de winstbelasting evenals de belasting op het vermogen in Frankrijk een beslissend effect op de efficiënte gemiddelde belastingdruk.

Er is vanuit de internationale en interregionale vergelijkingen gebleken dat de effectieve belastingslast van hoog opgeleide personen zich op het laagste niveau bevindt in Zwitserland en de U.S.A., gevolgd door Groot Brittanië, Ierland, Nederland en Oosterijk. Duitsland, Italië en Frankrijk indiceren respectievelijk de hoogste lasten. De effectieve belasting en belastbare zaken variëren sterk bij variabele inkomens. De prioriteit van locaties die geanalyseerd worden door de ZEW veranderen echter weinig. Alle hoog gekwalificeerde werknemers zijn flexibel op internationaal niveau en organisaties wereldwijd concurreren voor deze personen. Daarom veronderstelt men in deze studie dat de werknemers hogere brutosalarissen van hun werkgevers eisen in landen met hogere belastingen en belastingdruk, met het doel de hoge lasten te compenseren. Als zij hierin slagen, zullen de werkkrachten voor deze staff members in kosten toenemen voor de ondernemingen. Aangezien Duitsland behoort tot de landen met de hoogste belastingdruk, geeft dit een aanzienlijk competitief nadeel, wanneer vergeleken wordt met ondernemingen in Groot Brittanië, de U.S.A. en Zwitserland, waar een substantieel hoger netto salaris aan hoog gekwalificeerde personen kan worden toegekend tegen dezelfde kosten als in Duitsland.

Zelfs een overweging van de collectieve belastingdruk bevestigt dit beeld: De locaties die een concurrerend fiscaal voordeel voor collectieve belasting bezitten, verbeteren hun startpositie wanneer concurrentie aan wordt gegaan met gevestigde bedrijven veelal, als sprake is van aanvullende belastingen voor hoog opgeleid personeel. Een opmerkelijke uitzondering is de V.S., waar de bedrijven aan hoge belastingheffing worden onderworpen, maar hoog opgeleid personeel aan matige belastingheffing. Het omgekeerde beeld wordt verkregen in Ierland. Ierland trekt bedrijven aan met haar collectieve belastingtarief van slechts 12,5%. Hoewel de fiscale lasten voor hoog opgeleid personeel in Ierland ongeveer gelijk zijn met het gemiddelde van alle onderzochte locaties.

Voor de bepaling van de belastingdruk voor hoog opgeleide werknemers heeft ZEW een nieuw berekeningsmodel ontwikkeld. De collectieve belastingdruk werd bepaald door de internationaal gehanteerde methode van Devereux en Griffith. De structuur van het onderzoek laat geen directe vergelijking toe, waarbij gekeken wordt of de onderzochte werknemers aan een hogere of lagere fiscale last worden onderworpen dan het geïnvesteerde kapitaal. Het is echter wel mogelijk om de aantrekkelijkheid van elke afzonderlijke locatie voor ondernemingen te beoordelen. De IBC BAK International Benchmark Club van BAK Basel Economics beoogt het steunen van besluitvormers in politiek en economie, door middel van economisch analyses betreffende de sterke en zwakke punten van de respectievelijke gebieden in de plaatsconcurrentie.

Het niveau en de structuur van de inkomens reflecteren de hoge productiviteit van Zwitserland. Wegens de relatief kleine extra inkomensuitgaven, de hoge motivatiegraad van tewerkgestelde personen en de relatief lange werktijd in vergelijking met andere landen, zijn de loonkosten in de Zwitserse economie zeer aantrekkelijk.

De werknemers dragen substantieel bij aan het Zwitserse systeem van sociale zekerheid door middel van eigen bijdragen. Hierdoor blijven de sociale voorzieningskosten van de werkgevers gematigd. De jaarlijkse werktijd in Zwitserland is hoger dan in andere Europese landen en het verlies van uren wegens stakingen en vrije dagen is mede daardoor betrekkelijk laag. De industriäle wet van Zwitserland is liberaal en bevat weinig aanpassingen, alsmede geen vakbond monopolie.

Goed opgeleide medewerkers zijn een voorwaarde voor elke succesvolle onderneming. Het onderwijssysteem in Zwitserland is behoord tot de besten van de wereld. Het brengt hoog gekwalificeerde personen op elk niveau voort. Als gevolg van het excellente educatie systeem en de multiculturele samenleving spreekt een wezenlijk deel van de bevolking vloeiend meerdere talen.

De totale productiviteit van de Zwitserse nationale economie is gerangeerd als vijfde wereldwijd. De werknemers zijn gemotiveerd en stakingen zijn praktisch onbekend.

Hoewel het inkomensniveau hoog schijnt te zijn, zijn de volledige loonkosten duidelijk minder dan op concurrerende economische sectoren. De extra inkomesnuitgaven en de sociale voorzieningen zijn laag.